BM7 - Het KattenPension

ISBN
9789048316977

'OMDAT DIERENLEED NOOIT VANZELFSPREKEND MAG ZIJN'

 

Net als altijd zat de voorraadkamer op slot. Tegen beter weten in had ze gehoopt dat ze dit keer meer geluk zou hebben. Waarom was de vrouw er dan ook nooit als die beestjes eten nodig hadden? Ze wist toch dat het voer bijna op was? Op sommige dagen twijfelde ze oprecht over haar motivatie. Zoals nu, wanneer de etensbakjes leeg waren en er hongerige magen gevoed moesten worden. De vrouw was er toch niet voor niets aan begonnen, dit initiatief vereiste inzet en compassie. Maar soms leek het of het haar niet interesseerde, alsof de dierenliefde plotseling verdwenen was nu ze er de verantwoording voor droeg. Misschien was die er wel nooit geweest? De vrouw liet het niet blijken, maar het was haar wel degelijk opgevallen. Het waren de kleine afwijkingen in haar gedrag waaraan ze het kon herkennen, de onverschilligheid waarmee ze met de dieren omging bijvoorbeeld. Dezelfde onverschilligheid waarmee zij behandeld werd, maar dat kon haar niets schelen.

Maar misschien moest ze haar het voordeel van de twijfel gunnen en had ze het bij het verkeerde eind? Het kon bijna niet anders. Bovendien kenden ze elkaar nog niet goed genoeg, en dat was maar goed ook wat haar betreft. Ze had er weinig behoefte aan.

Misschien zou de vrouw er zo meteen gewoon weer zijn? 

Niet dat zij er iets over te zeggen had, ze werd hier wel vaker in het ongewisse gelaten. Alsof ze haar een kleine zonde aanrekende, terwijl ze zich met hart en ziel inzette en er geen klachten waren.

Geërgerd slaakte ze een diepe zucht. Alsof ze verder niets anders te doen had. Hoewel er thuis niemand op haar wachtte, wilde ze vandaag eens een keer op tijd naar huis. Ze maakte zich weinig illusies. De vrouw hield zelden rekening met haar, dus waarom zou dat nu ineens anders zijn? Haar taakomschrijving was duidelijk genoeg en daarbij werd er niet gerept over de omgangsnormen. 

Het was vooral het gebrek aan vertrouwen waaraan ze zich kon ergeren. Inmiddels had ze zich toch wel genoeg bewezen? Wat moest er nog meer gebeuren om als volwaardig medewerkster te worden behandeld? Haar liefde voor dieren had bij haar altijd de hoogste prioriteit. Ook de vrouw wist dat. 

Was dat de reden dat die rotdeur altijd op slot zat? 

In het begin had ze er eigenlijk niet eens bij stilgestaan. Misschien was het haar zelfs wel verteld. Ze kon het zich in elk geval niet meer herinneren en ze begreep ook niet wat het belang ervan was. Was de vrouw bang dat ze iets zou stelen, was dat het? Nou, dan was ze hier snel vertrokken. 

Zenuwachtig keek ze om zich heen. 

Normaal stond de zak met voer altijd al klaar in de opvang, daar kon ze dan ongeveer een week mee doen. Soms langer, soms korter, het verloop was hier groot. Op sommige tijden verbaasde ze zich over de snelheid waarmee de dieren vervangen werden. Het was een teken dat ze hun zaakjes goed voor elkaar hadden en dat kwam de dieren alleen maar ten goede. Ook voor haar was het eigenlijk wel goed, want dan kon ze zich niet te veel hechten aan die beestjes. 

Nadenkend keek ze naar de gesloten kantoorruimte. Normaal was het haar niet toegestaan om buiten werkuren het kantoor te bezoeken, maar dit was een noodgeval. Als de vrouw niet terugkwam hadden de dieren geen eten, terwijl ze al zoveel te verduren hadden gehad. Ze voeren was het minste wat ze voor de dieren zou kunnen betekenen; ze hadden eten en aandacht nodig, zo simpel was het. Na een goede verzorging was elk dier weer toonbaar en fit genoeg om het opvangadres te verruilen voor een thuis.

Ze richtte haar aandacht weer op het kantoor. De voorraadkamer was dan wel op slot, maar misschien was de vrouw vergeten om het kantoor af te sluiten? Misschien lagen de sleutels van de voorraadkamer daar wel? Het was de moeite waard om te proberen. Ineens schoot haar de reden weer te binnen: eventuele bezoekers zouden stiekem wat voer kunnen meenemen of een greep doen uit de kas op het kantoor. Daarom werd alles hermetisch afgesloten. Ze hadden ook liever dat ze zich alleen ophield in het opvanggedeelte en als de nood hoog was, kon ze gebruikmaken van het toilet in de hal. Dat hadden ze haar in het begin wel duidelijk gemaakt. Hoewel ze het onzin vond, had ze zich er niet aan gestoord. Toen niet. Vandaag stak het gevoel van ongenoegen weer de kop op. Zoveel bezoekers kwamen hier nu ook weer niet en meestal was er wel iemand aanwezig.

Schichtig wierp ze een blik door het raampje naast de deur. Het kantoor oogde verlaten, al kon ze niet het hele vertrek overzien. Langzaam duwde ze de deurhendel naar beneden terwijl ze zenuwachtig een blik over haar schouder wierp. Hoewel ze vond dat ze een legitieme reden had, was ze gespannen. Het liefst zou ze nu een sigaret opsteken om te kalmeren, maar ze hadden liever niet dat er in de opvang gerookt werd. Zogenaamd om de dieren te ontzien, hoewel er in de rest van het gebouw flink gepaft werd. Blijkbaar kon dat geen kwaad.

De deur ging gewoon open. Zou er dan toch iemand aanwezig zijn? Nadat ze nerveus een blik in het vertrek had geworpen, haalde ze opgelucht adem. De ruimte was verlaten. Aarzelend liep ze het kantoor binnen en keek om zich heen. Normaal kreeg ze nooit de kans om er eens rustig een kijkje te nemen, omdat ze er meestal weer direct werd weggewerkt. Alsof ze een indringer was die er niet thuishoorde. 

Veel stelde het trouwens niet voor: op twee schamele bureaus en een kast met wat ordners na maakte de ruimte een mistroostige indruk. De kale muren zagen er somber uit, in tegenstelling tot het opvanggedeelte, waar elke centimeter beschikbare wand volgehangen was met indringende foto’s. Opeens viel haar oog op een slordige bos sleutels, die nonchalant op een van de bureaus lag. Opgelucht griste ze de sleutelbos van het bureau en maakte dat ze wegkwam. 

Eenmaal terug in de hal liep ze direct door naar de voorraadkamer. Op de een of andere manier had ze er geen goed gevoel over. Ze kon het niet verklaren, misschien wel gewoon omdat het verboden terrein voor haar was. Na een aantal mislukte pogingen had ze de juiste sleutel te pakken en opende ze de deur. 

Het was een gewone voorraadkamer. Enigszins teleurgesteld keek ze om zich heen. Ze wist ook niet wat ze had verwacht er aan te treffen. Op de houten planken aan de muur stonden zakken met droogvoer en op de grond lag een slordige stapel jute zakken. Tegen de wand stond een hoge dichte kast met daartegenover een grote tafel, en er waren twee grote koelkasten, waarschijnlijk bestemd voor het verse voer. 

Onhandig schoof ze een zak brokken van een plank en sjouwde deze moeizaam met zich mee, toen haar ineens iets te binnen schoot. De dieren kregen helemaal geen vers voer, al had ze er vaak genoeg om gevraagd. De vrouw vond het te duur en wilde er geen geld aan verspillen. Maar wat zat er dan in die grote koelkasten? 

Even aarzelde ze, omdat ze de kille ruimte weer zo snel mogelijk wilde ontvluchten, maar haar nieuwsgierigheid kreeg de overhand. Ze zette de zak met voer op de grond en liep op de dichtstbijzijnde koelkast af. Gespannen trok ze de deur van de koelkast open. 

Ongelovig knipperde ze met haar ogen en staarde naar de inhoud. Haar hersens leken het in eerste instantie niet te registreren, maar opeens drong de realiteit in volle hevigheid tot haar door. Vol afschuw bekeek ze de inhoud en sloeg haar handen voor haar mond. Afgrijselijk. Ze sloeg de deur met een klap dicht. Het liefst wilde ze vluchten, weg van deze verschrikkelijke plek, maar ze stond als aan de grond genageld. 

Er was nog een tweede koelkast… Ze huiverde. 

Dadelijk kwam de vrouw terug en werd ze op heterdaad betrapt. Maar ze moest het weten. Met een ruk opende ze nu ook de tweede koelkast, huiverig, voorbereid op het ergste. Ze staarde naar de inhoud, maar kon het niet bevatten. Het leek wel een horrorscenario van een of andere macabere film. Geschokt gaf ze een duw tegen de deur en barstte in huilen uit. Machteloos en ontzet, niet in staat om zich te beheersen.

Plotseling viel de deur achter haar met een klap dicht en werd de sleutel omgedraaid. Ze had de sleutel in het slot laten zitten. Met een ruk draaide ze zich om en liep verdwaasd naar de deur. Uitzinnig bonsde ze erop en schreeuwde dat ze de deur weer moesten openen. Maar de sleutel werd niet omgedraaid. Nog harder schreeuwde ze, uitzinnig van angst nu. Het bleef stil in de hal, alsof de deur uit zichzelf op slot was gegaan. Maar ze had het duidelijk gehoord, iemand had de deur op slot gedraaid. 

Dat was haar straf. 

Onbewust was ze er bang voor geweest en nu was het realiteit geworden. Wezenloos draaide ze zich om en liet zich door haar knieën zakken, te overstuur om nog op haar wankele benen te kunnen staan. Rillend over heel haar lichaam, alsof ze plotseling geveld was door een hevige koortsaanval, leunde ze met haar hoofd zwaar tegen de deur terwijl haar tranen bleven stromen. Niet in staat tot helder nadenken bleef ze als een gebroken hoopje mens tegen de deur aan zitten.

Ze wist niet hoelang ze zo al had gezeten, toen ze plotseling een vreemde lucht rook. Rillend keek ze om zich heen, naar die twee afgrijselijke koelkasten en de houten planken met zakken voer, die opeens zo onbeduidend leken. 

Een zwaar gevoel drukte op haar borst en ineens voelde ze zich doodmoe. Ze werd overvallen door een hoestbui die haar de adem benam. Wanhopig probeerde ze verse lucht in te ademen, maar het leek of ze zich in een vacuüm bevond waar geen zuurstof aanwezig was. Verbijsterd greep ze naar haar keel. Toen hoorde ze het. Een zacht gesis, alsof iemand langzaam een fietsband leeg liet lopen.

Het kwam onder de deur vandaan en benam haar de adem. Een onzichtbare vijand. Ze opende haar mond om te schreeuwen, maar er kwam geen geluid uit. Ontzet hield ze haar handen voor haar mond, maar het hielp allemaal niets. Ze moest vluchten, weg van deze afgrijselijke plek, maar het ontbrak haar aan de kracht om op te staan. Steeds meer verstikte het haar en getergd hapte ze naar adem, haar lichaam schokkend en bevend. Ze was niet meer in staat om zich te verzetten. Ze had altijd geweten dat de dag zou komen, dat ze de eeuwige strijd ooit zou verliezen, maar niet op deze manier. Alsjeblieft, niet op deze manier. 

Toen werd het zwart voor haar ogen, inktzwart. Een moment zweefde ze tussen leven en dood. De duisternis overwon. Haar getergde lichaam verslapte. Haar geest zwierf door de ruimte, niet langer gehinderd door een gebrekkig en ziek lichaam. 

Ze was eindelijk vrij.

Het KattenPension,Bureau MaRiT,Esther Vermeulen,deel7,detectiveroman,spannend,Rotterdam,Bureau MaRiT